Bekentenissen van een schrijfster: ik ben een dorpsmens

Ik ben een dorpsmens. Net zoals ik opleef van de natuur, kan ik enorm genieten van de dorpse sfeer. Een marktplein met enkele cafés die openen om acht uur ‘s ochtends, waar mensen op het terras de krant zitten lezen, een gazon met madeliefjes en lindebomen aan de kerk, vrouwen met grote boodschappentassen die een praatje slaan met de winkelier, mensen die in hun deuropening met de buren staan praten, een emmer in de hand – want er valt altijd wel iets op te poetsen. Geen enkele omgeving voelt voor mij zo vertrouwd als de sfeer van een dorp waar de tijd nog een heel klein beetje is blijven stilstaan.

De eerste tien jaar van mijn leven bracht ik door in Essen, op enkele honderden meters van de Nederlandse grens. Ik speelde met mijn vriendinnen in de wijk en de omliggende bosjes, dwaalde over veldwegen, deed met mijn mama en broer boodschappen met de fiets in winkels waar het personeel ons bij naam kende. Onderweg kwamen we steevast bekenden tegen, waarmee mijn moeder een praatje sloeg. Het was alsof dat dorp een wereld op zich was, waar de grote, boze buitenwereld maar moeilijk doordrong.

Nadat mijn moeder stierf, ging ik bij mijn vader wonen. Eerst woonden we drie jaar in Breendonk. Je weet wel, waar den Duvel rijpt. Naast een brouwerij, een handvol cafés, een superette en twee bakkers, viel er niet veel te beleven. Vijf minuten trappen op mijn kinderfietsje en ik had het hele dorp doorkruist. Dan hobbelde ik de velden in, deed konijnen en fazanten opschrikken, kwam urenlang geen levende ziel tegen, behalve misschien een verdwaalde wandelaar of een boer die zijn akker omploegde. Als er kermis was, werd de enige hoofdstraat afgesloten om de tien attracties uit te stallen en de wekelijkse markt bestond uit niet meer of minder dan drie kramen, waar je vis, kip en groenten kon kopen.

Toen mijn vader me vertelde dat we naar Boom zouden verhuizen, werd ik hysterisch. Ik wilde niet in ‘een stad’ gaan wonen – want dat was Boom voor mij. Uiteindelijk bleek dat heel goed mee te vallen. Het ‘bruisend hart van de Rupelstreek’, zoals de gemeente zichzelf toen pleegde te noemen, was in feite ook niet veel meer dan een veredeld dorp. Bovendien woonden we tussen het park en provinciaal domein De Schorre in, op een boogscheut van de Rupeldijk. Twaalf jaar lang heb ik gefietst, gewandeld en gejogd langs die rivier-zonder-bron.

De afgelopen vijftien jaar, die me naar Mechelen en Hasselt voerden, verdween dat dorpsgevoel naar de achtergrond en ik kan dat niet anders dan als een gemis omschrijven. Het doet me altijd deugd om, op reis of tijdens citytrips, in een landelijk dorp te belanden en de sfeer op te snuiven.

Tot vanmorgen. Vanmorgen liep ik door de wijk net buiten Hasselt waar mijn vriend en ik nu zo’n vijf jaar wonen. De zon scheen, de lucht was kraakhelder en er stond een strakke bries die door de frisgroene lenteblaadjes joeg, mijn haren deed opwaaien, voor een aangenaam gevoel op mijn blote armen zorgde. En plots werd ik overvallen door dat dorpsgevoel.

Heeft het te maken met de lockdownrust? Het voorjaarsweer? Het nergens naartoe moeten (of mogen)? Ik weet het niet: maar plots was ik weer acht jaar en liep ik door dat dorp dat enkel nog in mijn herinnering bestaat.

(c) Leen Raats

Af en toe proza en poëzie van Leen in je mailbox? Join the club!

Af en toe een streepje proza of poëzie van Leen in je mailbox en op de hoogte blijven van het laatste nieuws? Dat kan!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Een WordPress.com website.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: