Waarom mijn bundel Vloedlijn opent met een gedicht van een Zuid-Afrikaanse dichteres

Mensen die Vloedlijn al kochten, hebben zich wellicht verwonderd over die vier Afrikaanse dichtregels waarmee ik de bundel open:

Pyn, met grimasse, met dierlike klanke,
kan sterker dan wat ook jou wese versteur
en tog is jou egtheid juis daaraan te danke
en word pyn byna nooit uitermate betreur.

Dit fragment uit een gedicht van Elisabeth Eybers geeft perfect weer waar mijn verhalen om draaien: mensen die verdriet en pijn met zich meedragen, maar die hier kracht uit puren. De pijn heeft hen gevormd, hen gemaakt tot wie ze zijn.

Deze regels komen uit de bundel Valreep/Stirrup cup waarin enkele Afrikaanse gedichten van Eybers naast hun Engelse vertaling staan. Ik vind vooral de originele versies prachtig. Het is altijd een ongelooflijke meerwaarde om poëzie in de moedertaal van de dichter te lezen.

Mijn fascinatie voor Eybers begon tijdens mijn weinig roemrijke middelbare schoolcarrière. We lazen toen heel wat poëzie in de Nederlandse les en dat vond ik geweldig. In het begin toch, want er werd van ons verwacht dat we de gedichten helemaal gingen ontleden.

Op zich niets mis mee, maar de leerkracht drong ons vaak zijn/haar visie op – die niet zelden van de mijne afweek – en het ontleden werd al snel een technisch gebeuren, tot de dichtregels levenloze skeletten waren die op ons bureau lagen uitgespreid. Geen wonder dat er zo weinig mensen poëzie lezen.

Maar goed, ik ontdekte in die tijd heel wat schrijvers in mijn schoolboeken. En zo kwam ik in aanraking met Eybers’ gedicht ‘Herinnering’, in de versie van Willem Wilmink, die het gedicht uit het Afrikaans vertaalde:

Herinnering

Ik heb een keer de maan gezien als kind
die door het zilveren dal de ronde deed
en als een zeepbel wegdreef op de wind
en tussen ijle populieren gleed.

Achter mij in het donker was een raam
vol licht en mensenstemmen en gelach
en ín mij angst en weekheid zonder naam:
ik keek of ik de maan loskomen zag.

Al ’t andere is duister en verward…
dat tak na tak onder de maan beweegt…
dat het gekneusde gras een geur verspreidt
van dennennaalden, dat ik pijn verbijt
om het hevige krimpen van mijn hart,
en met mijn pols tranen heb weggeveegd.

(c) Willem Wilmink, naar Elisabeth Eybers

Dat gedicht maakte meer in mij los dan eender welk gedicht ooit had losgemaakt. Toch verloor ik het werk uit het oog, en daarmee ook Eybers. Tot ik me jaren later een gedicht herinnerde dat begon met de woorden Ik heb een keer de maan gezien als kind. De schoolboeken had ik a lang weggedaan. Het internet stond toen nog in haar kinderschoenen en mijn zoekacties leverden dan ook niets op.

Maar het gedicht bleef door mijn hoofd spoken. Later herinnerde ik me de naam van de dichteres: Eybers. Maandenlang ging ik in elke boekhandel op zoek naar werk van haar hand. Dat leverde twee pareltjes op: Klinkklaar, een bloemlezing uit haar werk met een cd waarop de toen 90-jarige dichteres haar werk met doorleefde stem voorleest, en Valreep/Stirrup-cup.

Uit die laatste bundel was het vooral Pyn dat me bijbleef, en toen ik mijn verhalenbundel samenstelde, kwam het gedicht weer in mijn hoofd aanzetten en ik besefte dat Eybers ruim tien jaar na haar dood de thematiek van mijn bundel perfect wist samen te vatten.

Uiteraard heb ik Uitgeverij Querido gecontacteerd vooraleer ik deze dichtregels in mijn bundel opnam. Zij hebben toestemming gevraagd aan de erfgenamen van Eybers en ik heb hen een vergoeding betaald voor het gebruik ervan.

Geef een reactie

Powered by WordPress.com. Thema: Baskerville 2 door Anders Noren.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: