Van krabbels in een schriftje tot prijswinnend gedicht: de making of van ‘Leegstand’

Waar haal je je inspiratie? Hoe schrijf je poëzie? Dat zijn de twee vragen die ik – en met mij elke dichter die ooit deze aarde bewandelde – regelmatig te horen krijg. Je zou denken dat ik ondertussen een pasklaar antwoord heb, maar om heel eerlijk te zijn, vind ik het nog altijd moeilijk om uit te leggen hoe mijn gedichten tot stand komen.

Daarom hield ik het bij voor een aantal gedichten. Met een van die stukjes poëzie won ik onlangs de Guido Wulms Poëzieprijs 2020, waarop ik me herinnerde dat ik alle voorgaande versies nog op papier had! Het was ontzettend leuk om die zelf te herlezen.  

Dit is ‘the making of’ van Leegstand.

Het begon in september 2019, toen ik meerdere keren per week naar Leuven treinde voor een schrijfopdracht bij BRS vzw. Ik gebruikte het grootste deel van die reistijd om poëzie te schrijven in een goedkoop, knalrood schriftje.

Hier kwamen de eerste zinnen tot stand. Deze waren onder meer:

Ze zingt tijdens het koken
huilt in de regen
sluit haar ogen in de zon.

Al haar leegtes zijn tijdelijk
behalve die ene.

Haar zwijgen is zoveel meer
dan niet praten.

In een ander gedicht schreef ik:

Ik droomde dat ik wakker werd.

Dat hele gedicht schrapte ik uiteindelijk, behalve die ene zin. Maar wat moest ik ermee? Ik schreef meermaals een vervolg, maar schrapte het telkens weer.

Nog ergens anders, helemaal los daarvan, schreef ik:

In een huis vol hongerige katten
hou ik me als een holle eik
slechts met koppigheid overeind.

Dat vond ik – al zeg ik het zelf – een zeer sterke alinea. De hongerige katten, de holle eik. Krachtige beelden, die op mysterieuze wijze samenhangen. Leegte, gemis, hol en honger. En dan die koppigheid. Het lijdzaam volharden. Ook de klanken zaten goed, met halfrijm zoals ‘holle eik’ en ‘koppigheid’. Maar wat moest ik er verder mee?

Ik schreef er talloze dichtregels bij, maar die haalden in het slechtste geval het niveau van die eerste alinea naar beneden en voegden in het beste geval niets toe.

Wekenlang bleef ik eraan prullen, telkens weer nieuwe zinnen rond die beelden weven. Ik probeerde ze dieper uit te spitten, trachtte er nieuwe beelden aan te verbinden, maar niets leverde een resultaat op waar ik ook maar enige tevredenheid bij kon voelen. Zonde, van die mooie, eenzame alinea. Het werd een beetje een holle, solitaire eik op zich, dapper vechtend om bestaansrecht.

Ik ging verder met mijn leven en met andere gedichten. Zo schreef ik ergens:

Het is de onrust
van helder water.

En toen, op een bepaald moment, kwamen al die zinnen samen en werd het duidelijk dat ze samen verder konden – verder moesten, misschien wel. Ik maakte er het volgende van:

Vannacht droomde ze dat ze wakker werd

In een huis vol hongerige katten
houdt ze zich als een holle eik
slechts met koppigheid overeind.

Ze huilt boven de gootsteen
maar zingt tijdens het koken
in een stad die weigert
de hare te zijn.

Haar zwijgen is zoveel meer
dan niet praten.

Het is de onrust
van helder water.

Met die versie ging ik aan de slag. Schuiven, herschrijven, toevoegen, schrappen – ik werk daarbij zowel op papier als op de computer. Op een gegeven moment print ik het dan af, en neem het weer mee. Naar een openbare boomgaard in Diepenbeek, bijvoorbeeld. (De foto bovenaan dit artikel heb ik gemaakt toen ik aan ‘Leegstand’ en andere gedichten zat te werken in die boomgaard).

De uiteindelijke versie, die de jury van de Guido Wulmsprijs wist te bekoren, werd:

LEEGSTAND

Soms droomt ze dat ze wakker wordt.

In een huis vol hongerige katten
houdt ze zich als een holle eik
slechts met koppigheid overeind.

Ze huilt boven de gootsteen
zingt tijdens het koken
kraakt als een oude trap. 

Haar zwijgen is zoveel meer
dan niet praten. Het is de onrust
van helder water.

Ze wacht nergens op,
doet het toch.

© Leen Raats


Wat de titel betreft, had ik eerst ‘tijdelijke leegte’ in mijn hoofd. Dat werd al snel ‘Leegstand’.

Het gebeurt wel vaker dat zinnen, die eigenlijk op een afzonderlijk tijdstip tot stand kwamen, plots in elkaar lijken te klikken en dat ik ze samenvoeg om daar dan verder mee aan de slag te gaan. Omdat ze qua sfeer, beeld of thematiek op de een of andere manier, naar mijn aanvoelen, een eenheid vormen of kunnen vormen. Hoe dat precies werkt, kan ik je echt niet zeggen.  

Ik denk dat ik in bepaalde perioden gewoon veel zinnen opschrijf die vanuit hetzelfde idee of gevoel ontstonden, en dat ze daarom samen passen. En soms kunnen twee zinnen of alinea’s die eigenlijk over iets heel anders gaan, samen ‘werken’. Een originele, onverwachte samenkomst van twee dingen die eigenlijk niets met elkaar te maken hebben, maar toch samen een nieuw, vreemd geheel vormen. Zoiets.

Er zijn talloze manieren om poëzie te schrijven, maar als je overal van die rondslingerende zinnen hebt, kan ik je alvast aanraden om daar zeker eens met open blik doorheen te gaan en te kijken of je connecties ziet of voelt. Wedden dat er iets moois uit voortkomt?

Meer poëzie van mijn hand lezen? Dat kan, in mijn bundel ‘Troebel – poëzie voor windstille dagen.’

Schrijf je zelf poëzie en wil je je gedichten naar een nog hoger niveau tillen? Dan is mijn cursus ‘Schrijf belachelijk goede gedichten’ misschien wel wat je al jaren zoekt. 😉

Geef een reactie

Powered by WordPress.com. door Anders Noren.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: