Moet je als schrijver een podiumbeest zijn?

Het lijkt wel alsof de meeste mensen denken dat schrijvers automatisch goed kunnen voorlezen. In een ideale wereld zou dat misschien ook zo zijn. Ik ken echter schrijvers die prachtige verhalen of gedichten schrijven, maar ze eigenlijk helemaal niet zo goed kunnen brengen – of gewoon niet graag op een podium staan. Ik ken ook mensen die zelf niet schrijven, maar die andermans werk prachtig weten brengen. Dit is waarom ik dat niet erg vind.

Zes kapotte paraplu’s

Natuurlijk is het een meerwaarde om een schrijver zijn eigen werk te horen voorlezen. Zo hoor je de klemtonen die de schrijver in het werk legt. Je hoort hem haperen, een krop doorslikken, bemerkt een lach die in de stem doorschemert.

Niet elke schrijver kan echter goed voordragen. Zelf doe ik het wel graag, maar ik weet ook dat er mensen zijn die er veel beter in zijn. Nooit zal ik vergeten hoe Anna Luyten de brief voorlas die ik schreef voor de schrijfwedstrijd ‘Het mooiste testament’. Zij bracht mijn woorden zoveel beter dan ik ooit zou kunnen. Ik kreeg tranen in mijn ogen, kon amper geloven dat dat mijn tekst was die door de zaal klonk. De tekst raakte haar echt, dat kon ik horen aan elk woord, elke intonatie. Ik zat aan mijn stoel gekluisterd.

Een paar jaar eerder mocht ik een reeks gedichten schrijven voor de jaarlijkse Dexia Classics-prijzen. Twee jaar op rij werden de finalisten Voordracht verplicht om mijn werk voor te dragen. Daarnaast mochten ze ‘vrij werk’ kiezen. Ik zat stilletjes in de zaal en luisterde wat ze met mijn poëzie deden. Ik hoorde hoe verschillend de gedichten werden voorgedragen. Zes jonge mensen, zes verschillende stemmen.

Eén finaliste scheurde tijdens het voordragen van de reeks ‘Leven van een vrouw’ zes zwarte paraplu’s aan flarden – één voor elk gedicht. Een andere finalist was duidelijk niet opgezet met dit verplichte nummer. Uit zijn mond klonken mijn gedichten weer helemaal anders (met tegenzin, vooral).

Bij één meisje was ik enorm ontroerd. Ik voelde dat zij mijn poëzie helemaal begreep. Ze werd dat jaar uiteindelijk tweede (ik zat zelf niet in de jury). Toen ik haar nadien op de receptie aansprak en zei wie ik was, lichtte haar gezicht op. Ze vertelde dat ze mijn poëzie zo mooi vond en dat ze het leuk had gevonden om die voor te dragen. Geheel overbodig, want haar optreden sprak voor zich.

Bibberen in het Belfort

De eerste keer dat ik zelf mocht voorlezen was minder memorabel. Dat was in het Belfort in Brugge. Een prachtige locatie, maar dat kon me op dat moment worst wezen. Er zaten minstens vijfhonderd mensen in de zaal. Ik was dertien jaar en was in de prijzen gevallen in de Soetendaellewedstrijd van Jeugd en Poëzie. Ik stond te trillen op mijn benen toen de presentator mij de microfoon in handen stopte. Met onvaste stem rammelde ik mijn gedicht af, waarna ik weer naar mijn kerkstoel liep, onderweg net niet over mijn eigen voeten struikelend.

Sindsdien heb ik vaak voorgelezen. Ik ben erin gegroeid, heb eindeloos geoefend. Ik heb geleerd om trager en duidelijker te praten, klemtonen te leggen, te spelen met stiltes en verwachtingen. Maar vooral: ik heb geleerd om ervan te genieten.

De interactie met het publiek. Het momentum dat je creëert, de sfeer die in de zaal hangt. Dat ongrijpbare. Het gevoel dat je jezelf overstijgt. Dat het niet langer om jou draait, maar om je gedicht of verhaal, om je personages, de essentie van ons bestaan die je probeert aan te raken, al is het maar met je vingertoppen. Dat je de unieke kans krijgt om mensen te ontroeren of aan het lachen te brengen met jouw woorden. De verwachting die bijna voelbaar in de lucht hangt.

Het geeft een kick wanneer mensen ontroerd kijken wanneer ze ontroerd moeten kijken, lachen om je grapjes en af en toe zelfs een traantje wegpinken. Dat ze nadien naar je toekomen om een praatje te slaan.

Skaamteloos geparadeer

Schrijven is en blijft een eenzaam beroep. Het is het contact met het publiek – en dan vooral tijdens en na voordrachten – dat dit doorbreekt. Op die momenten besef je dat je als schrijver nooit echt alleen bent.

Dit gezegd zijnde: ik ben nog steeds zenuwachtig als ik op een podium sta, maar ik heb geleerd om ervan te genieten en die stress om te zetten in een positief soort zenuwachtigheid dat me in staat stelt om het beste van mezelf te geven. Een Anna Luyten zal ik echter nooit worden en ik vind ook niet dat iemand dat van mij hoeft te verwachten: ik ben in de eerste plaats een schrijver en kan niet meer doen dan mezelf zijn op dat podium, puur en rauw.

Veel schrijvers van de oude stempel deden helemaal niet aan voorlezen. Een van hen is bijvoorbeeld de vooral in Nederland en Zuid-Afrika geëerde dichteres Elisabeth Eybers, die zelden of nooit voorlas en in één van haar gedichten zelfs van ‘skaamteloos geparadeer’ sprak. Ze kon overigens prachtig voorlezen, maar vond het gewoon ongepast.

Tegenwoordig wordt automatisch van schrijvers verwacht dat ze zich tot podiumbeest ontpoppen en daar kan je je vragen bij stellen, want het is beslist niet iedereen gegeven.

Om op de vraag in de titel van deze blog te antwoorden: moet je als schrijver een podiumbeest zijn? Ik vind van niet. Schrijven en voorlezen zijn twee afzonderlijke disciplines, die in feite weinig met elkaar te maken hebben. Maar het loont zeker om je erin te bekwamen en die podiumvrees te overwinnen. Het kan een enorme meerwaarde en verrijking betekenen – zowel voor je lezers als voor jezelf.

Ik zou dus zeggen: probeer het zeker, meer dan eens. Kijk of je erin kan groeien, je verder bekwamen en er een spel van maken. Maar als het je echt niet ligt, doe het dan gewoon niet en geniet lekker van datgene wat je het liefst doet: schrijven!

Een jaar lang verrekt toffe schrijfopdrachten

Schrijf nu verdomme eindelijk dat rotboek

Online challenge waarin jij op 12 weken jouw boek schrijft.

Geef een reactie

Powered by WordPress.com. Thema: Baskerville 2 door Anders Noren.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: