De mythe van de creativiteit

Ik geloof niet in creativiteit. Of toch niet in de mythe dat de ene over veel grotere hoeveelheden creativiteit beschikt dan de ander. Of dat je tonnen creativiteit nodig hebt om iets – een boek bijvoorbeeld – te creëren. We hebben voortdurend ideeën. We doen er gewoon niets mee.

Binnen de paar seconden hebben we onszelf wijsgemaakt dat het een slecht idee is. Dat we hier geen tijd of geld voor hebben, dat er niemand op zit te wachten, dat mensen je toch niet zien staan, dat je dit niet kan, dat het onmogelijk is, …

Ik denk dat bij heel creatieve mensen de innerlijke filter deels ontbreekt – je weet wel, dat moment waarop je je voorstel in een vergadering op tafel wilt gooien, maar het niet doet omdat je denkt dat het toch niet zoveel bij zal dragen. Of dat gekke verhaal dat je niet durft uit te werken zoals je het echt in je hoofd hebt, uit angst dat het too far out there is, dat mensen je raar zullen vinden, of je niet begrijpen.

Dat moment dat je favoriete nummer weerklinkt maar je toch niet (voluit) danst, omdat je bang bent dat mensen naar je kijken en je van jezelf vindt dat je eigenlijk helemaal niet goed kan dansen. Dat gevoel om niet goed genoeg te zijn.

Kijk, het gaat er niet om of je goed (genoeg) bent in iets, het gaat erom of je het wilt doen. Er plezier aan beleeft. Als dat zo is, dan zie ik geen reden om het niet te doen.

En het goede nieuws is: je kan die filter uitzetten. Niet dat het zo eenvoudig is, maar hoe meer je oefent, hoe vlotter het gaat. Het hoeft ook niet altijd. Enkel op de momenten dat je iets wilt creëren of jezelf eens écht helemaal ontspannen en laten gaan. En neen, daar heb je geen alcohol voor nodig.

Maar ik stond er wel

Die voortdurende sociale angsten vermoorden onze creativiteit, onze aangeboren neiging om onszelf te uiten, onszelf te zijn. De Vrije Mens in onszelf.

Een dom voorbeeld uit mijn eigen leven. In de zomer van 2018 stond ik op een optreden van Black Cat Biscuit, een van de beste bluesbands van eigen bodem. Toen ze aan een nummer begonnen, vroeg de zanger, die we leerden kennen bij onze buren in de tuin, aan het publiek of we wilden meezingen. Ik was de enige die luid ‘ja!’ riep.

Daarop nodigde zanger Jasser me uit op het podium. Nu was het niet meteen mijn intentie om vanop het podium mee te zingen. Maar ik wilde niet flauw doen, stapte het podium op en kweelde mee. En dat terwijl ik het nummer welgeteld één keer gehoord had, op een optreden maanden voorheen.

Enkele leden van mijn gezelschap, waaronder mijn eigen vriend, lieten me nadien op niet erg subtiele wijze weten dat ik – oh, wat een verrassing – niet bepaald een prestatie had neergezet waarmee ik The Voice Vlaanderen zou kunnen winnen. Op dat moment voelde ik alsnog wat schaamte opkomen. Tot een kennis me aankeek, zijn schouders ophaalde en met iets van bewondering in zijn stem zei: ‘Maar je stond er wel.’

En zo was het maar net. Ik stond er godverdomme wel. Diezelfde mensen die al lachend opmerkten dat ik niet zo goed had gezongen, zouden nooit dat podium durven opstappen. Ik wel. Ik stond er wel en ik deed het gewoon. Nah.

Saaie Vlaamse gazon

Commentaar geven is makkelijk. Ook op jezelf. Jezelf op voorhand tegenhouden om datgene te doen wat je écht wil doen met allerlei (nep)argumenten, is ook makkelijk. In je comfortzone blijven, je nek niet uitsteken. Het is zo’n beetje het Vlaams ideaal. Met dooddoeners als ‘Doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg’ houden we onszelf en elkaar klein.

Want iedereen die boven het maaiveld van de saaie, bloemloze, wekelijks gemaaide, Vlaamse gazon uitsteekt, loopt het risico om kritiek te krijgen. Dus laten we massaal het hoofd hangen, proberen ons te verstoppen, onzichtbaar te worden. Want wie ons ziet, kan ons bekritiseren.  

Guess what. Die kritiek komt er toch, want mensen bekritiseren elkaar nu eenmaal graag, al was het maar omdat het zoveel makkelijker is om een ander klein te houden dan zelf te groeien.

Als het gras slechts 5 centimeter lang is, moet je niet veel doen om erboven uit te steken…

Maar het ergste van dat alles is wel dat jij dus niet doet wat je graag wilt. Wat je écht wilt doen. Je drive, je passie, dat wat je leven zin geeft, dat wat maakt dat je een kracht in jezelf voelt, een energie die je voortdrijft. Iets dat alles betekenis geeft. Weet je wat ik bedoel? Voel je het?

En wat doe je ermee?

Ik heb overigens nooit een zangcarrière geambieerd en nooit beweerd dat ik goed kan zingen. Dus waarom zou het mij wat kunnen schelen als iemand zegt dat ik er niets van bak? Waarom zou dat me moeten tegenhouden om voortdurend te zingen, zo luid ik kan of wil?

Soms sta ik op een feestje of een optreden als een gek te dansen. Dan zie ik dat mensen naar me kijken. En dan denk ik: je hebt twee soorten mensen. Mensen die zich amuseren en hun ding doen, en mensen die kijken naar mensen die zich amuseren en hun ding doen. Tot welke groep wil jij behoren?

I know I made my choice.

Zolang je er niets of niemand schade mee berokkent, zou ik zeggen: gewoon lekker doen. Dat geldt ook voor schrijven en creatief bezig zijn. Durf jezelf zijn. Durf je te outen. Durf anders te zijn. Durf raar te zijn.

Raar is prima. Normaal is slechts een vage afspraak waarvan niemand de exacte regels kent.

Als je nog eens twijfelt, doe het dan gewoon. En als het echt tegenvalt, denk dan nadien: ‘Maar ik stond er wel.’ En vergeet niet om ervan te genieten. Of, om het te zeggen met de woorden van singer-songwriter Frank Turner: ‘We’re going nowhere slowly but we’re seeing all the sights.’

Enjoy the ride!

(c) Leen Raats

Geef een reactie

Powered by WordPress.com. Thema: Baskerville 2 door Anders Noren.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: