Oude bomen verplant men niet

1

Jeanne van Overschelde was een hardwerkende vrouw met het hart op de juiste plaats. Haar hele leven stond in het teken van anderen: haar man, haar vijf kinderen, de minder gestelde boeren die tijdens koude oorlogswinters dreigden te ver­hongeren en de patiënten die ze met meer dan beroepsmatige zorg omringde in het hospitaal waar ze aan de slag ging nadat de boerderij van haar echtgenoot was opgeslokt door een gigantische melkveefabriek.

Haar man, verslagen door een onbereikbare concurrent, zocht zijn toevlucht tot de drank, die gewillig zijn gevoelens wegspoelde. Hij maakte Jeanne echter met harde hand duidelijk dat hij niet langer de kostwinner, maar nog steeds de baas in huis was. Toch bleef Jeanne hem steunen. Eens getrouwd, altijd getrouwd. In goede en in slechte tijden. Ze werd er har­der door, maar niet minder behulpzaam. Wie Jeanne om hulp vroeg, kreeg hulp.

Ondertussen was ze met pensioen. Haar man was uiteindelijk bezweken aan de levercirrose die hij dertig jaar lang opbouwde. Haar kinderen hadden nu zelf een gezin om voor te zorgen. Zelfs haar kleinkinderen, waarvan de oudste al met haar vriend samenwoonde, hadden haar niet meer nodig. Natuurlijk kwamen ze nog weleens op bezoek en brachten dan steevast een ruiker opzichtige bloemen of een doos likeurpralines mee, maar dat was eerder een soort liefdadigheid geworden dan een dringende behoefte aan haar hulp of aanwezigheid.

Als Jeanne morgen zou sterven, zouden ze een tijdje verdrietig zijn. Dat verdriet zou na enkele weken al overgaan in een bitterzoete herinnering. Maar niemand, niet haar drie dochters, niet haar twee zonen, niet de zeven kleinkinderen die enkele jaren geleden nog hielpen bij het plukken van tomaten en bonen in Jeannes moestuintje, zou­den haar echt missen. Naarmate Jeanne ouder werd, werd ze kleiner. Daarbij krompen niet enkel haar beenderen, maar ook haar invloed op de levens van anderen.

Met voorzichtige passen liep Jeanne die ochtend over het tuinpad. De bouwvakkers waren al volop in de weer. Ze had de vrachtwagens over het grasveld achter haar huis horen denderen toen ze een ketel water op het gasfornuis in de bijkeuken zette. Felle lichten scheurden de mistige schemering aan stukken. Jeanne rilde en trok haar vest dichter om zich heen. De glazen deur van de serre protesteerde even, maar gaf zich dan toch gewonnen. Jarenlang had haar man op die verdomde rotdeur gevloekt. Jeanne vloekte niet. De serredeur klemde al zolang ze zich kon herinneren. Het hoorde bij het huis. Haar huis.

De kinderen van haar vorig jaar overleden huisbaas wilden het huis, dat Jeanne altijd voor een appel en ei gehuurd had, slopen, net zoals ze met de huizen op het perceel achter Jeannes huis hadden gedaan. Die bewoners, twee jonge gezinnen, hadden zich gemakkelijk laten verjagen. Jeanne niet. ‘Oude bomen verplant men niet,’ had ze gezegd.

Ze konden het niet vatten, die jonge mensen met hun ambities en drang naar mate­riële rijkdom. Ze hadden haar extra tijd gegeven. Die was nu bijna op, maar Jeanne wilde niet vertrekken. Ze was heus niet van plan om de resterende jaren van haar leven in een bejaar­dentehuis te spenderen.

Zoveel vrien­den en kennissen had ze zien uitdoven van zodra ze uit hun vertrouwde omgeving werden weggerukt. Kranige vrouwen, die decennialang met verweerde handen in de aarde hadden gewroet, vodden uitgewrongen en groenten ingemaakt in weckpotten, die zich plots niet meer konden wassen zonder hulp. Sterke bomen, wier wortels zo gewend waren aan de vertrouwde grond waarin ze waren opgegroeid, dat ze gedoemd waren om uit te dro­gen van zodra ze verplant werden. Het was een korte weg van het rusthuis naar het graf. Een weg die Jeanne niet wilde afleggen. Niet op die manier.

Jeanne plukte enkele kerstomaatjes. Een bouwvakker liep achter haar tuin door. Ze keek de jongeman zo indringend aan dat hij zijn ogen neersloeg en zijn hand, die hij al half had opgeheven om haar te begroeten, haastig in een broekzak moffelde. Nijdig stopte Jeanne de to­maten in een zak van haar vest. De jongeman deed ook maar zijn werk. Dat wist ze wel.
De deurbel ging, nauwelijks hoorbaar boven de vrachtwagens en betonmolens. Jeanne slofte op haar pantoffels naar binnen. In de bijkeuken draaide ze het gasvuur onder de fluitende ketel uit.

‘Goedemorgen, Jeanneke!’ riep Wendy op haar eeuwig enthousiaste toon. Ze maakte aanstalten om haar schoenen uit te trekken.
‘Laat maar kindje, ik moet toch nog schoonmaken,’ zei Jeanne automatisch. Terwijl ze het zei, drong het met een pijnlijk besef tot haar door dat dat niet waar was. Ze zou deze keuken nooit meer schoonmaken.
‘Fris weertje,’ rilde de verpleegster.
Jeanne knikte enkel. Ze vroeg zich af waarom jonge mensen zich altijd net iets lich­ter kleedden dan het seizoen toeliet. Ze ging Wendy voor naar de keuken. De vertrouwde pijnscheut in haar schouder diende zich aan.

2

‘Pijn in je schouder?’ Wendy nam de hand van de oude vrouw in de hare. De verharde huid met eeltplekken voelde ruw aan.
‘Niet meer dan anders,’ antwoordde Jeanne met de schijnbaar luchtige verbetenheid van iemand voor wie pijn vanzelfsprekend is geworden.
Wendy prikte in Jeannes vinger om haar suiker te meten. ‘165. Wat heb je als ontbijt gehad?’
‘Suikervrije confituur.’
‘Maar wel met goede boter, of niet soms?’
Jeanne staarde nukkig naar het tafelblad. ‘Enkel de pastoor zondigt nooit, kindje.’

Wendy wist dat het geen zin had om er verder op in te gaan en spoot de vrouw in met insuline. Een vrachtwagen denderde langs het huis. ‘Wat een lawaai weer,’ zei ze om maar iets te zeggen. ‘En zo vroeg op de dag al.’
‘Ze zijn al bezig sinds zeven uur. De huizen hebben ze al platgegooid, nu volgen de bomen. Gisterenmiddag hebben ze de eik omgehakt.’ De oude vrouw keek niet op, zodat het leek alsof ze tegen zichzelf praatte. ‘In deze perio­de van het jaar gingen we altijd kastanjes rapen in het bosje dat vroeger aan onze tuin grensde. En dennenappels, om de open haard aan te maken.’

Het was niet de eerste keer dat ze dit verhaal vertelde. Toch deed de verpleegster alsof ze aandachtig luisterde terwijl ze Jeannes voet op haar been legde en bestudeer­de. Wendy wist dat wonden van diabetici moeilijk genezen, maar in Jeannes geval leek er helemaal geen verbetering op te treden. ‘Rust je wel genoeg?’
‘Rust roest.’

Er viel een stilte. Wendy was nooit goed geweest in afscheid nemen. Het viel haar op dat er nog niets ingepakt was. Ze nam een slok van de koffie die Jeanne zoals altijd voor haar had klaargezet. Een half klontje suiker, een wolkje melk en een Madelei­ne‑cakeje. Deze tafel, deze koffie, deze keuken, dit wat onderkomen huisje met moestuin, het was de natuurlijke habitat van dit vrouwtje. Wendy kon zich de vrouw niet in een andere omgeving voorstellen.

Het was Jeanne die de stilte doorbrak. ‘Nu zitten we hier nog gezellig aan de koffie. Straks komen mijn dochters alles in­pakken, terwijl mijn zonen de kasten uit elkaar schroeven.’
‘Wat gebeurt er met je spullen?’
‘Een deel neem ik mee naar het rusthuis. Het grootste deel gaat naar de kringloop­winkel en ik hoorde mijn schoonzoon over het containerpark praten.’ Ze sprak het woord containerpark uit alsof het een vreselijke plek was.

De staande klok in de hoek gaf aan dat de verpleegster al naar de volgende patiënt had moeten vertrekken. Maar geen van beide vrouwen maakte aanstalten om op te staan.
‘Ik kom je bezoeken in het rusthuis. Dat vind je toch goed?’

Tot haar verbazing schudde Jeanne het hoofd. Er leek iets te breken in het magere vrouwtje. Een traan rolde over haar wang. Ze veegde hem ongeduldig weg. De ver­pleegster aarzelde nog even, maar boog zich toen naar Jeanne toe en sloot haar in de armen, alsof ze een kind was dat getroost moest worden. Haar rechterhand rustte teder op Jeannes knokige ruggengraat.

3

De voordeur maakte een schurend geluid. Jeanne bukte zich om de post, die zich de afgelopen weken had opgestapeld, op te rapen. Ze legde de reclamebundel en enveloppen ongeopend op het aanrecht. Ze hadden de elektriciteit reeds afgesloten. Door het keukenraam viel wat zwak maanlicht naar binnen, maar Jeanne had geen licht nodig om haar weg te vinden in het huis waar ze vijf kinderen had grootgebracht. Met langzame maar zekere passen liep ze door de kamers.

Het had vreemd moeten aanvoelen, zo zonder haar vertrouwde meubelen, maar dat was niet zo. Integendeel: het leek wel alsof ze het huis nog beter aanvoelde nu er geen tafels, voorraadkasten een kamerplanten met de aandacht gingen lopen.

In de woonkamer bleef ze abrupt staan. Een angstig ogenblik lang dacht ze dat er iemand in de kamer stond. Toen besefte ze dat het haar spiegelbeeld was. Ze waren de lange spiegel, die altijd in de hoek had gestaan, vergeten. Behoedzaam kwam Jeanne dichterbij.

Het was te donker om haar spiegelbeeld goed te kunnen zien. Jeanne was slechts een vage schim. Een afdruk van de vrouw die ze ooit was geweest. Ze streelde over haar gerimpelde huid. Jeannes gezicht was een kaart van haar leven. De rimpels op haar voorhoofd ontstonden tijdens koude nachten waarop ze lag te wachten tot haar man dronken de trap op strompelde.

De kraaienpootjes om haar ogen waren stille getuigen van het feit dat ze haar kinderen alles had willen meegeven wat ze zelf nooit had gehad. De rimpels om haar mond herinnerden aan de zeldzame maar intense momenten waarop Jeanne zich oprecht gelukkig had gevoeld.

Haar huid had haar glans verloren, die enkel nog op oude foto’s werd herdacht. Haar eens zo volle lippen waren uitgedroogd. De sierlijke hals waar haar man lang geleden, toen ze pas verkeerden en de drank nog niet alle passie had gedoofd, steeds weer met bevende vingers over streelde, leek nu eerder op een oude dweil dan een hals. Jeanne voelde zich een wezen uit een ander tijdperk, iets dat dapper streed om een laatste beetje bestaansrecht.

En toch. Toen Jeanne van Overschelde op die kille novembernacht in het schaarse licht van de volle maan die in de lege kamer naar binnen viel, naar haar spiegelbeeld keek, zag ze nog iets van haar oude glans. Een twinkeling, een lichtpuntje. De jonge, sterke vrouw van vroeger zat nog in haar, ergens onder haar oude knoken en rim­pelige huid. En die vrouw wilde niet in een stoel voor een venster met zicht op het park zitten wachten tot de dood zijn kille hand op haar schouder legde.

Jeanne danste. Ze had het eerst niet eens in de gaten. Haar voeten leken als vanzelf te bewegen, en haar armen volgden, in golvende bewegingen. Haar spiegelbeeld danste sierlijk met haar mee. Niet in de oude, grijze vest die ze droeg, maar in een prachtige jurk. Jeanne kende die jurk maar al te goed: ze had hem gekregen voor haar zestiende verjaardag en droeg hem zo vaak als de gelegenheid dat toeliet: op feestjes, in de kerk op zondag, bij zomerse familiebezoekjes.

Toen schopte Jeanne haar schoenen uit, en danste verder op blote voeten. Ze voelde zich licht worden. Het leek wel alsof ze zweefde. Met een verrimpelde vinger streelde ze over het houtwerk aan het raam. Haast onopgemerkt vielen de plooien van haar huid samen met de nerven van het hout.

(c) Leen Raats

Dit is een van de elf kortverhalen uit mijn bundel ‘Vloedlijn

Meer lezen?

Een gedachte over “Oude bomen verplant men niet

Voeg uw reactie toe

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Een WordPress.com website.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: