Vloedlijn

‘Hij was gaan houden van het druppelen van de kraan in de keuken, het gieren van de wind in de schouw ’s nachts en de regelmaat waarmee de klok zinloze uren wegtikt. De muziek van de eenzaamheid.’

– uit ‘Verzachtende omstandigheden’, een van de verhalen uit Vloedlijn

Over Vloedlijn

De vloedlijn of het vloedmerk geeft de lijn aan tot waar het water bij de laatste vloed reikte. Wie langs de vloedlijn wandelt, doet de mooiste ontdekkingen: zeewier, schelpen, schatten uit verre landen, afval. Alles wat we aan de zee geven, komt naar ons terug. De zee geeft en neemt. Zonder oordelen.

In de elf verhalen van deze bundel zwerven we als strandjutters langs de vloedlijn. Naast ons lopen mensen die iets verloren in de golven. Een vriend, een moeder, hun thuis, zichzelf. Sommigen vinden hun kostbaarste bezit terug, anderen vinden een manier om verder te gaan, ook nadat de zee hun voetsporen uitwiste.

Kopen kan. Kopen mag. Kopen is goed!

Koop Vloedlijn en je leven zal nog exact hetzelfde zijn als daarvoor.
Maar je hebt er wel een fijn boek bij om mee weg te dromen met een een glas wijn, een mok thee of drie flessen rum. Aan jou de keuze!
Zelf zou ik voor de rum gaan. Bruine. Spiced. Hmm.

Je kan Vloedlijn bestellen in elke boekhandel, of je kan het boek rechtstreeks bij mij kopen, via mijn webshop of bol.com.

Lof in den hof *

*Nu ja, eigenlijk niet in den hof, maar het rijmt zo lekker.

Wat een empathische schrijfster is Leen Raats toch. Of ze nu het verhaal vertelt van een bejaarde oma, twee spelende kinderen in het bos, of een zichzelf zoekende jonge psychologe. Je zit in het verhaal omdat de beschrijvingen van alle personages en gebeurtenissen getuigen van emmers mensenkennis. Je leest en zit constant te knikken. Elk verhaal is een stilistisch kleinood vol mooie, eenvoudige woorden. Ingetogen, melancholisch, weemoedig en toch hoopvol.

Waarom je deze bundel moet lezen? Omwille van het verhaal ‘Corine’. Holocaustoverlevende Marie-Thérèse doet voor de allereerste keer haar verhaal in de school van haar achterkleindochter die tot op dat moment niets afweet van de vreselijke zaken die haar overgrootmoeder heeft meegemaakt. De tranen schieten je in de ogen en de krop in de keel krijg je er gratis bij. Wat een beresterk kortverhaal, met alles erop en eraan, in amper een paar pagina’s. Ik ben jaloers op dit schrijftalent.
– Christine Bonheure op Goodreads

Leen publiceerde eerder al poëzie en verhalen waarin ze duidelijk toonde welke registers ze allemaal kan optrekken. Heel beeldend beschrijft ze heel gewone dingen en situaties en geeft ze dat tikje magie mee dat ze doet stralen en boven alles uit verheft. Vloedlijn is een heel doorleefde bundel met verhalen, die steunen op een sterke taal en stijl!
– André Oyen op ‘Lezers tippen lezers’

De elf verhalen in deze bundel hebben me ontroerd en een diepe indruk op me gemaakt. In elk van deze verhalen kwam ik iets tegen dat heel bekend voor me was. Het werkt bevrijdend.

De beschrijving van personages is zo beeldend dat ze werkelijk uit het leven gegrepen lijken te zijn. Het is alsof je naar een schilderij kijkt.
In sommige van deze verhalen komt het ook voor dat iemand op het verdriet van een ander goedbedoeld reageert, maar deze reactie is eigenlijk betuttelend en draagt niet echt bij aan de verwerking voor het verlies van de ander.

Verdriet mag genoemd en gevoeld worden.
Waarom denken we dat voor rouwverwerking een tijd staat? Dat is helemaal niet het geval: het duurt zolang het duurt en dat is normaal. Je hoeft je echt niet te verantwoorden. Als je dat voor ogen houdt, wordt alles draaglijker.

Leens Raats schrijft net zo soepel een verhaallijn van een vrouwelijk personage als van een mannelijk personage.
Zoals de zee geeft en neemt, geeft en neemt het leven ook.

Ik heb ‘Vloedlijn’ graag gelezen.

– Mieke Schepens op haar blog ‘Graag gelezen’

Leesfragment uit ‘Vloedlijn’, het titelverhaal van de bundel.

Eerste gesprekken liepen niet altijd even vlot. Dat was zelfs na al die jaren nog zo. Maar van zodra ze Koen Heylen in haar wachtkamer zag zitten, kreeg Sam het onbehaaglijke gevoel dat dit weleens een heel moeilijke bevalling zou kunnen worden. Hij zat onderuitgezakt op een van de ongemakkelijke designstoelen die ze in een opwelling had gekocht toen ze net alleen woonde en die ze al na een paar weken naar haar wachtzaal had verbannen. Hij staarde naar de muur. Zijn zwarte haren waren in een slordige staart gebonden. Hij droeg een T-shirt van een metalband. Ze kon de naam niet lezen, maar het logo kwam haar op een vreemde manier bekend voor. De jongen veerde op toen hij haar zag.
  Ze wierp hem haar warmste glimlach toe. ‘Dag Koen. Ik mag toch Koen zeggen?’
  Hij haalde zijn schouders op.
  ‘Ik ben Sam. Kom maar mee.’
  Ze gebaarde hem te gaan zitten in een van de kuipzetels in haar praktijkruimte die er een pak minder mooi uitzagen dan haar wachtkamermeubelen, maar die tenminste niet aanvoelden alsof je billen gekneld zaten in een wildklem.
  Koen zat om zich heen te kijken als een bang hert in vol jachtseizoen. Het was een blik die Sam wel vaker zag bij nieuwe patiënten.
  ‘Is dit de eerste keer dat je naar een psycholoog gaat?’
  Koen knikte.
  ‘Voelt het wat vreemd aan, zo met een vreemde praten?’
  Koen knikte.
  ‘Het is knap dat je dit doet, Koen. Er is geen reden om je te schamen. Heel wat mensen zoeken hulp, zeker als ze iemand verloren hebben.’
  Koen knikte.
  Sam begon te vrezen dat ze het daarmee zou moeten doen. ‘Goed. Vertel eens.’
  ‘Wat moet ik vertellen?’
  ‘Wat je maar wil. Waarom je hier bent, bijvoorbeeld.’
  Hij keek haar verbaasd aan. ‘In de hoop dat jij me kan helpen.’
  Ze wachtte nog even af of hij verder zou gaan, maar hij keek haar zwijgend aan. Elke vezel in zijn lichaam leek gespannen. Haar blik dwaalde af naar zijn T-shirt. Waarom kwam het haar zo bekend voor? En waarom kreeg ze daar zo’n vreemd gevoel bij?
  ‘Je hebt iemand verloren.’
  Hij richtte zijn ogen op de houten vloer. ‘Mijn broertje.’
  Er viel weer een lange stilte. Sam liet haar patiënten altijd rustig, op eigen tempo, hun verhaal doen. Ze had geleerd om te gaan met lange, ongemakkelijke stiltes. Toen hij na een paar minuten nog niets gezegd had, gaf ze het op. ‘Hoe oud was hij?’
  ‘Zeven.’
  ‘Dat is jong. Waaraan is hij gestorven?’
  ‘Ik heb hem vermoord.’
  ‘Waarom zeg je dat?’
  Hij keek haar plots recht aan, met een emotieloos gezicht. ‘Omdat het zo is.’
  Sam had al gekkere dingen gehoord. Waarschijnlijk had de jongen op zijn broertje moeten babysitten en had hij daar geen zin in gehad, waarop het kind op een ongelukkige manier was gestorven. Ze had eens een patiënte gehad van zestien wier jongere zusje was overleden na het drinken van een fles allesreiniger. Het zou haar vast veel moeite kosten om het schuldgevoel uit zijn hoofd te praten. ‘Hoe heb je hem vermoord?’ vroeg ze op neutrale toon.
  Hij richtte zijn blik weer op de parketvloer, die nog geen twee jaar oud was maar zodanig bewerkt dat hij er authentiek uitzag. ‘Met een mes.’
  Hij had het gemompeld, nauwelijks verstaanbaar. Even twijfelde Sam of ze het wel goed had verstaan. Ze staarde hem aan. Ze wist dat dit geen professionele houding was, maar ze kon het niet helpen. Dat T-shirt. Die witte letters.
  MARDUK.
  Plots wist ze het, waar ze dit T-shirt eerder gezien had. Ze stond met een ruk op.
  De jongen keek met grote ogen naar haar op. ‘Je denkt dat ik een monster ben.’
  ‘Ik moet even naar het toilet.’ Ze liep op onvaste benen naar de deur. ‘Ik ben zo terug, niet weggaan.’
  Ze leunde tegen de koude deur van het toilet en probeerde haar ademhaling onder controle te krijgen. Marduk. Dat ze dat vergeten was. Zestien was ze geweest en ze droeg een kleedje dat te dun was voor de koude zomernacht. Stef was bij haar. Hij keek haar met een glimlach aan, stak zijn hand naar haar uit. ‘Hier komt helemaal niemand ’s nachts. Zeker niet in de duinen.’
  Zijn vingers haakten zich in de hare en even had Sam het gevoel dat ze zweefde. Toen stootte ze haar voet tegen een steen. ‘Gatver.’
  ‘Doe toch eens wat relaxed, meid.’
  Ze kon zijn witte tanden in het donker zien schitteren. Lachte hij haar uit? Sam concentreerde zich op de grond, terwijl ze achter Stef aan holde. Schelpen kraakten onder de zolen van hun schoenen.
  Golven klotsten onzichtbaar in het donker. Wanneer ze ’s avonds in het donker over het strand liep, werd Sam zich bewust van de uitgestrektheid van de zee. Die natuurkracht die, gedreven door de maan, werelden vormgaf. Die leven schonk en weer afnam – als ze daar zin in had. Even wilde ze haar gedachten met Stef delen, maar ze besefte dat dat geen goed idee was. Jongens hielden niet van slimme meisjes.
  Ze waren bijna bij de duinen waar hij haar – daar was ze zeker van – zou kussen, toen haar blik bleef rusten op een vreemde, donkere plek een twintigtal meter verderop. Sam bleef staan. Stef liet haar hand los en volgde haar blik. ‘Wat is er?’
  ‘Daar ligt iets.’
  Ze wachtte zijn reactie niet af. Met een bonkend hart stapte ze op het donkere hoopje toe. Met elke stap groeide haar angstig vermoeden. Ze hapte naar adem toen ze een hand zag. Het was een jongen, misschien maar enkele jaren ouder dan zij. Zijn lichaam lag in een vreemde, onnatuurlijke houding. Zijn gezicht was bleek en had een blauwe schijn. Zijn ogen waren wijd open.
  Ze knielde neer naast het lichaam. De jongen droeg een zwarte broek, legerlaarzen en een T-shirt met witte letters en een omgekeerd kruis. Ze probeerde de tekst te ontcijferen. MARDUH stond er – of was het MARDUK?
  ‘Shit!’ klonk het achter haar. Sam was even helemaal vergeten dat Stef erbij was. ‘Is hij-’
  Ze antwoordde niet, maar bestudeerde het gezicht van de jongen. Volgde zijn verstarde blik, die ergens tussen strand en horizon was blijven hangen. Ze vroeg zich af wat het laatste was dat hij gezien had.
  Stef trok haar ruw aan haar arm overeind. ‘Kom, we moeten hier weg. We vragen Mike om de politie te bellen.’
  Mike was de joviale cafébaas van de kroeg waar ze nog geen kwartier geleden naar buiten waren geglipt. Het leek nu een eeuwigheid geleden.
  ‘Wacht.’ Sam keerde op haar stappen terug. Ze haalde diep adem en sloot met een snelle beweging de oogleden van de dode jongen.
  Stef stond haar op te wachten. Nooit zou ze de blik in zijn ogen vergeten. ‘Je bent een rare.’
  Sinds die dag had hij haar nooit meer aangekeken.

De deur naar haar wachtkamer ging piepend open. Sam haalde een paar keer diep adem. De jongen was al naar buiten gelopen. Ze liep hem op straat achterna. Hij kromp in elkaar toen ze haar hand op zijn schouder legde. ‘Sorry, ik was gewoon wat misselijk.’
  Ze negeerde de twijfel in zijn ogen en leidde hem onder zachte drang weer naar haar praktijkruimte.
  Het was een ongeluk geweest. Koen had zijn zakmes laten slingeren en zijn jongere broertje had het leuk speelgoed gevonden. Koen had nog een ziekenwagen gebeld, maar ze hadden hem niet meer weten redden. Het was nu een half jaar geleden en hij had er tot nog toe met niemand over gepraat. Maar via via had hij gehoord dat zij heel goed was, dat ze mensen hielp, hen écht hielp. Koen leek zichtbaar opgelucht nadat het verhaal er hakkelend en met lange pauzes was uitgekomen, en Sam geloofde hem toen hij haar verzekerde dat hij de week erop zou terugkomen.
  ‘Donderdag, 10u30,’ herhaalde ze voor de derde keer toen ze aan de deur stonden. Ze had niet meer naar zijn T-shirt gekeken.
  De volgende patiënt zat haar al op te wachten. Sam dwong haar gezicht in een glimlach.

Die avond duurde het een hele poos voor ze haar ogen sloot. Sam zonk weg in een onrustige slaap vol vage dromen over roerloze jongens op het strand. Ze werd wakker met tranen in de ogen en de smaak van zout op haar lippen.

Uit: Vloedlijn, Leen Raats


Een WordPress.com website.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: