Bomen sterven staande

Ik voelde het meteen, toen ze me voor het eerst mee naar het woud nam: zij hoorde hier thuis. Alma aanbad de meerstammige, grillige elzen langs het gifgroene water, de klimop die knoestige eiken wurgde, de rotte geur van vermolmd hout en de dwingende stilte die als nevel tussen de stammen hing.
  ‘Ik ben hier graag,’ zei ze, die eerste keer, toen we elk detail van elkaars lichaam verkenden als een complexe kaart van een middeleeuwse stad. ‘Maar ik heb ook de indruk dat ik hier best niet te lang blijf. Begrijp je?’
  Ik begreep het. Elk takje dat we deden kraken, iedere plant die we vertrapten, elke teug zuurstofrijke boslucht die we inademden, voelde als een ontering van deze plek, die zoveel ouder was dan wij.

Op een miezerige septemberdag keken we samen naar een oude beuk. Slechts enkele takken droegen nog bladeren. De andere wezen naar de lucht als heksenvingers, knokig en dun.
  ‘Die zal niet lang meer leven,’ hoorde ik mezelf zeggen.
  Alma keek me enkele tellen indringend aan met haar kastanjebruine ogen, voor ze haar hand teder op de stam van de beuk legde. ‘Dat weet ik zo nog niet. Bomen sterven staande.’
  Ik keek van haar naar de beuk, hoe ze roerloos zij aan zij stonden. Voor even leken ze niet meer dan schaduwen in dit groene schimmenrijk. Toen brak er een glimlach uit op Alma’s knappe gezicht. ‘Wat kijk je weer serieus. Lach eens!’
  Ik giechelde als een meisje onder haar kietelende vingers. Tussen de kruinen slaakte een kraai een waarschuwing, die we negeerden.

In al die maanden dat we samen door dit bos zwierven, kwamen we nooit een andere, levende ziel tegen. Ons bosje grensde aan twee woonwijken, waar heel wat kinderen en jongeren woonden, maar we zagen geen sporen van menselijke aanwezigheid. Er waren geen achtergelaten bierblikken, geen hondendrollen, geen slecht gebouwde kampen of gammele boomhutten. De paden waren overwoekerd. De planten die we tijdens onze ontdekkingstochten plattrapten, richtten zich vrijwel meteen weer op, hun bladeren fier naar de hemel.

‘Mijn moeder maakt zich zorgen,’ zei Alma op een dag. ‘Ze vindt dat ik te veel tijd in het bos doorbreng, maar er is iets dat ze niet begrijpt: het bos zit in mij.’
  Het was de voorlaatste keer dat ik haar zag.
  De laatste keer was een week later, toen ik radeloos door het bos zwierf nadat ik een hele ochtend met de politie had gepraat. De gesprekken met de twee agenten en Alma’s moeder speelden zich telkens weer af in mijn hoofd. De vele vragen, waarvan ik sommige niet kon en andere niet wilde beantwoorden. De beschuldigende toon. Het ongeloof.
  Het was de eerste keer dat ik hier alleen kwam. Het bos voelde nog dreigender zonder haar. Het pad slingerde langs de beek als een wurgslang. Telkens ik over mijn schouder keek, leek het alsof de bomen wat dichter naar me toe waren geschoven. Ik dwong mijn aandacht naar het pad voor me, stapte omzichtig over stenen en boomwortels heen.
  Ik hield halt aan de massieve boom waar Alma me altijd mee naartoe nam. Een iep, vertelde ze me maanden geleden. Een zeldzame overlever van de iepenziekte, die in de twintigste eeuw massale sterfte veroorzaakte bij iepen in de Lage Landen.
  Een vertrouwde geur drong zich aan me op. Oude grond en humus, vochtig en zwaar. Maar er was iets anders, iets herkenbaars dat ik niet meteen kon plaatsen. Ik stapte voorzichtig over een grote, blootliggende wortel heen – de tenen van de boom, zoals Alma ze noemde – om naar de stam toe te wandelen. Aarzelend legde ik mijn hand op de schilferige schors, zoals ik haar zo vaak had zien doen. Het ruwe hout voelde aan als schuurpapier. Ik schrok van krakende takken achter me en draaide me om. En toen zag ik het.
  Een jonge boom, onder de kruin van de oude iep, zo’n meter vijfenzestig groot. Ik wist met absolute zekerheid dat deze boom er de week voorheen nog niet stond. Ook een iep, zo te zien, met frisse, groene bladeren. Zonder nadenken streelde ik over de nog gladde stam. Die voelde verrassend warm aan. Ik legde mijn hoofd tegen het hout, en zou durven zweren dat ik mijn oor voelde vibreren op het ritme van een hartslag.
  Toen ritselde er iets in het struikgewas. Ik keek en zag enkel takken en bladeren.
  De stam onder mijn hand koelde voelbaar af, de hartslag vertraagde. De wind wakkerde aan, onverwacht maar krachtig. De waarschuwing van een kraai galmde tussen de boomkruinen. Deze keer luisterde ik wel.

(c) Leen Raats – Ik vertaalde dit verhaal ook naar het Engels. Het verscheen in mei 2025 in INTERWEAVED Magazine uit Trinidad en Tobago, onder de titel ‘Trees die standing’.

Een gedachte over “Bomen sterven staande

Voeg uw reactie toe

Geef een reactie

Mogelijk gemaakt door WordPress.com.

Omhoog ↑

Ontdek meer van Leen Raats, schrijver.

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder