Het is haar zevenenzeventigste lente. Toch verbaast Alida zich elk jaar weer over de frisheid van het groen dat uit de grond ontspruit, zich roert aan elke boom en struik. De geur van de eerste bloeiende bomen, de tinteling van de zon op haar wangen en blote onderarmen, het gezang van de talloze vogels die op zoek zijn naar een partner of de concurrentie willen wegjagen. Alsof de winter de ware aard, het volle gevoel van de lente telkens weer doet vergeten, haar vervaagt tot een ijl, vormloos begrip.
Onder de bomen ontvouwt zich een tapijt van witte, gele en paarse voorjaarsbloeiers. Ze wijst de groep wandelaars, die in haar kielzog volgt met dezelfde toewijding als die waarmee jonge eendjes achter hun moeder aan zwemmen, er terloops op, blijft even staan zodat ze foto’s kunnen maken, maar brengt de bloemen slechts op naam als haar daarnaar gevraagd wordt. Alida kent deze vallei als haar broekzak, maar het is niet haar natuurkennis die ze vandaag wil overbrengen.
Wat Alida wil doorgeven is van veel grotere waarde. Het is iets belangrijker, dat de kracht heeft om de oermens in elke stadsbewoner wakker te maken, iets dat generaties van natuurbeschermers, biologen en ontdekkers heeft voortgebracht, iets dat het fundament vormt van onze menselijke soort: oprechte verwondering. Een oerkracht waarover elk mens van bij de geboorte beschikt, van zodra we onze hoofden optillen en kijken naar de wereld die ons omringt.
Ook vroeger, tijdens haar loopbaan als leerkracht aardrijkskunde in Herk-de-Stad, is het nooit Alida’s doel geweest om de hoofden van haar leerlingen met droge boekenkennis te vullen. Ze wilde hen begeesteren, een wilde, passionele nieuwsgierigheid in die kinderen losmaken. Want zijn het niet verwondering en nieuwsgierigheid die de mensheid hebben voortgedreven om steeds weer nieuwe dingen te ontdekken, uit te zwermen over de wereld, vuur te maken, zaadjes te planten, het wiel uit te vinden, de zeven wereldzeeën te bevaren en in kaart te brengen, het heelal te verkennen en al die uitvindingen te realiseren die onze levens – in goede en slechte zin – hebben gekneed tot het bestaan dat we nu kennen?
Zonder verwondering leefden we nu nog in grotten, angstig wachtend tot de zon uit haar nachtelijke kerker breekt.
Oprechte verwondering. Als ze dat vandaag op zelfs maar één van de vierendertig wandelaars kan overbrengen, is haar dag geslaagd. Ze stopt regelmatig om met veel begeestering te vertellen over de bomen, planten en dieren. Ze toont de gigantische bladeren van het groot hoefblad, laat een wijngaardslak over haar hand lopen, wijst op een ijsvogeltje dat als een blauwe flits over het water schiet, en op de eerste vlinders, die over bloemen en ruigtekruiden zwalpen, dronken van de nectar. Ook René en Jos, haar trouwe kompanen, doen hun duit in het zakje. Niemand kent de vallei zo goed als René. Ze grapt weleens dat hij in de Mombeek is geboren. Het zou haar niet eens verbazen als dat werkelijk zo is. De kranige tachtiger vertelt op onnavolgbare wijze over de baron die hem en zijn vriendjes vijf Belgische Frank aanbood voor een emmer vol door hen gevangen rivierkreeftjes en over vissen – hij beeldt de grootte uit met zijn verweerde handen – “die zich nauwelijks konden omdraaien in de beek”.
Alida sluit haar ogen en luistert, de zon verrassend warm op haar gezicht, ondanks het vroege uur. Ze heeft deze verhalen al talloze keren gehoord, maar ze geniet er iedere keer weer van. Elk jaar worden de verhalen straffer, de Mombeek dieper, de vissen groter. Zo hoort dat. Een goede verteller is niet iemand die de waarheid op de meest getrouwe manier weergeeft. De waarheid vormt zelden een goed verhaal – het is er hoogstens een voedingsbodem voor, zoals wortels en schimmeldraden slechts aan de basis van een boom liggen.
Wanneer ze bijna aan het eindpunt komen, is het Alida’s beurt om haar favoriete verhaal te brengen. Ze houdt halt aan de solitaire wilg die uitkijkt over de vallei vanop het hoogste punt van Hasselt – dat slechts weinig Hasselaren kennen. Zesenzestig meter boven de zeespiegel, midden tussen de velden van Sint-Lambrechts-Herk, achter de Kapel van Sasput-Voogdij, waar ooit mensen om genezing kwamen bidden bij de heilige Sint-Rochus en Sint-Amandus, en waar menig dronken kermisganger ’s nachts dwaallichtjes en mysterieuze spookhonden meende waar te nemen. Ze hebben geluk: het is een heldere dag en ze kunnen de kerktorens van Borgloon en de basiliek van Tongeren boven de glooiende heuvels zien uitsteken.
Zoals altijd vraagt Alida de aanwezigen om een kleine, ronde steen te zoeken. En iedere keer komt er wel een kind enthousiast op haar toegelopen en plaatst een gladde, koude kei in haar handpalm. Haar man Georges, die zich zoals gewoonlijk subtiel op de achtergrond houdt, glimlacht. Hij weet wat er nu volgt.
Het gros van de wandelaars hangt aan haar lippen terwijl ze – de steen tussen haar duim en wijsvinger in de lucht houdend – haar relaas doet over tropische, ondiepe zeeën die miljoenen jaren geleden in warme golven over Limburg rolden. Over de zeelelies waarvan je de fossiele afdrukken in arduinen vensterbanken en dorpels ziet en gigantische schildpadden en roofzuchtige zeehagedissen die door deze wateren zwommen.
Hoe die zee keien afrondde en hoe die gladde stukjes steen hier letterlijk voor het oprapen liggen, zoveel miljoenen later. Voor de boer niet meer dan lastige stenen die hem het ploegen bemoeilijken, door de toevallige passant niet eens opgemerkt, maar een bewijs van miljoenen jaren geschiedenis. Rolkeien. Stille getuigen uit een ver verleden, lang voor er van mensen sprake was.
Het kleine, mollige jongetje dat haar de steen heeft overhandigd, kijkt met grote ogen naar het voorwerp. Net nog een gewone kei die hij van het veld raapte omdat een vreemde vrouw hem daarom vroeg, nu een zeldzaam kleinood. Wanneer Alida de steen weer in zijn kleine hand legt, omklemt het jongetje hem met vijf vingers, alsof het een klompje goud is. En wanneer hij naar haar opkijkt, ziet Alida een schittering in zijn ogen die haar zo’n zeventig lentes terug in de tijd voert.
© Leen Raats
Dit verhaal schreef ik naar aanleiding van een wedstrijd, waarbij ik beloofde om de winnaar te vereeuwigen in een kortverhaal… En zo geschiedde. Nog eens proficiat, Alida!
Wauw Leen! Zo mooi geschreven. Helemaal zoals ik Alida ken. Het leek wel alsof ze naast me stond! Top!
Bedankt, Katrijn! Het is dan ook een uitzonderlijke vrouw, het verhaal schreef zichzelf bijna vanzelf, ik was er op een zaterdagavond even gaan voorzitten om ‘alvast een paar ideetje op papier te zetten’, en op twee uurtjes tijd stond het plots volledig op papier.
Inderdaad een uitzonderlijke vrouw. Een mooi ‘eerbetoon’ 😊