Nadat ik eerder deze maand op de shortlist van de 4th Anniversary Contest van het Canadese DarkWinter Lit stond met mijn gedicht Ripple, staat mijn gedicht Asphalt nu op de shortlist van een Britse wedstrijd. The Poetry Lighthouse is een online en papieren magazine en een uitgeverij. Binnenkort geven ze ook mijn tweetalige bundel Drijfhout/Driftwood uit.
De prijsuitreiking, waarbij de winnaars bekend worden gemaakt, vindt plaats op zondag 5 juli en gaat online door om 19 uur (Belgische tijdzone). De redactie heeft me ook gevraagd om mijn gedicht voor te lezen. Iedereen kan meevolgen. Hier vind je de info en de link.
Hieronder het gedicht, en daaronder de oorspronkelijke, Nederlandstalige versie:
Asphalt
I followed the factory spills, the fumes
of Diesel cars banned from the city center
that gathered in carpool parking lots
like civil servants at a fire drill.
I followed the pushy cabs, and the bass notes
of a local cover band’s soundcheck
five men with a midlife crisis,
playing the same setlist
every week, for the last twenty years.
What I found was a spring afternoon,
stretching on the asphalt like a lazy cat
warmth crawling under my winter clothes.
Yawning bar staff fighting the remains
of a wild Friday night with brown soap
strong arms reaching for full beer barrels.
Ice cubes clinking in a cocktail glass
clear as a wind chime on a summer’s day
and the waiter who winked at me, saying
“it’s five o’clock somewhere.”
And it hit me
not for the first time, how this city
is an old friend with whom contact faded,
but who embraces me without hesitation
every time we meet, by accident.
(c) Leen Raats
Asfalt
Ik liep naar de fabrieksrook, de uitlaatgassen
van uit het centrum geweerde Dieselauto’s
die op carpoolparkings verzamelden
als ambtenaren bij een brandoefening.
Ik volgde het gerinkel van trams, en de bastonen
van de soundcheck van een lokale coverband.
Vijf mannen met een midlifecrisis die al twintig jaar
elke week exact dezelfde setlist afwerken.
Wat ik vond was een lentemiddag die zich
als een luie kater op het asfalt uitrekte.
Warmte die onder mijn winterkleren kroop.
Geeuwend barpersoneel dat de resten
van een wilde vrijdagnacht met bruine zeep
te lijf ging. Sterke armen die
naar volle bierbakken reikten.
IJsblokjes die klingelden in een cocktailglas
helder als een windgong op een zomerdag.
De ober die knipoogde dat het ergens
op de wereld vijf uur was.
En het trof me
niet voor het eerst, dat de stad een oude vriend is
met wie het contact verwaterde
maar die me bij elke ontmoeting
zonder aarzelen in de armen sluit.
(c) Leen Raats
Geef een reactie